Uw factuur aan een particulier kan na één jaar al verjaard zijn

donderdag september 24, 2026

Uw factuur aan een particulier kan na één jaar al verjaard zijn

Een openstaande webshopfactuur van 99,95 euro. De klant komt niet naar de zitting. En dan begint de rechter zelf over verjaring.

Op 18 juni 2026 beantwoordde het Grondwettelijk Hof een vraag die voortkwam uit zo’n dossier. Het gaat over een regel die sinds 1 oktober 2024 geldt en die veel ondernemers nog niet op hun radar hebben: in een procedure tegen een consument mag de rechter zelf vaststellen dat uw vordering verjaard is, ook als uw klant daar met geen woord over rept. En bij verkoop van goederen aan particulieren kan die termijn maar één jaar bedragen.

Waar het dossier over ging

Een incasso-onderneming dagvaardt op 26 september 2024 een consument voor het vredegerecht. De inzet: 99,95 euro voor een factuur voor kleding en accessoires, gekocht op een bekende kledingwebshop. De consument verschijnt niet en laat zich niet vertegenwoordigen.

De vrederechter werpt dan uit eigen beweging op dat de vordering verjaard zou zijn. Hij steunt daarvoor op artikel 2223 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals dat gewijzigd is door de wet van 15 mei 2024 houdende maatregelen in de strijd tegen de overmatige schuldenlast en ter bescherming van ondernemingen in moeilijkheden.

Maar de vrederechter ziet meteen ook een probleem, en dat probleem is de kern van deze zaak. Hij vraagt zich af of de wetgever hier niet twee groepen consumenten ongelijk behandelt, en stelt daarover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Sinds 1 oktober 2024 kijkt de rechter zelf of u te laat bent

De klassieke regel is oud en eenvoudig: verjaring is een verweer, en een verweer moet je zelf inroepen. De rechter mag het niet voor u doen. Dat staat nog altijd in het eerste lid van artikel 2223 oud BW.

De wet van 15 mei 2024 voegde daar een uitzondering aan toe. De rechter mag de verjaring wel ambtshalve opwerpen wanneer aan drie voorwaarden samen is voldaan:

  • het gaat om een vordering tot betaling van een geldschuld;
  • de eiser is een onderneming in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1° WER;
  • de verweerder is een consument in de zin van artikel I.1, eerste lid, 2° WER.

Vertaald naar de praktijk: elke keer dat u als onderneming een particuliere klant voor de rechter brengt voor een onbetaalde factuur, kijkt die rechter zelf na of u niet te laat bent. Ook als uw klant nooit komt opdagen. De bedoeling van de wetgever was helder, zo blijkt uit de parlementaire stukken: vermijden dat een consument bij verstek veroordeeld wordt tot betaling van bedragen die kennelijk verjaard zijn.

Voor wie tegen consumenten invordert is dat een wezenlijke verschuiving. Vroeger kon een dossier dat juridisch te oud was er toch nog door, simpelweg omdat niemand het opmerkte. Die marge is weg.

De klok die veel ondernemers niet kennen: één jaar

Voor de meeste contractuele vorderingen geldt een verjaringstermijn van tien jaar (artikel 2262bis, § 1 oud BW). Dat is de termijn waar de meeste mensen spontaan aan denken, en het is de reden waarom een oude factuur zelden als een probleem wordt gezien.

Alleen bestaat daarnaast een reeks korte termijnen. Eén daarvan is artikel 2272, tweede lid oud BW: de rechtsvordering van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn, verjaart door verloop van één jaar.

Tien jaar en één jaar liggen ver uit elkaar. Het verschil zit niet in het bedrag, maar in wat u verkocht hebt en aan wie.

Wie goederen verkoopt aan particulieren, zit dus mogelijk in die korte termijn. Het is meteen ook de reden waarom het dossier van 99,95 euro voor kleding bij de vrederechter belandde met een verjaringsdiscussie erbij, terwijl de factuur nog geen jaren oud was.

Een eerlijke kanttekening: de woorden van dat artikel komen uit een andere tijd. Het spreekt over kooplieden en koopwaren, begrippen die het huidige recht niet meer zo gebruikt. Over de precieze reikwijdte ervan, en over het beginpunt van die termijn in een concreet dossier, bestaat discussie. Dat is precies waarom u een oude consumentenfactuur beter laat nakijken dan inschat.

Waarom dit een kwijtende verjaring is

Hier wordt het interessant, en hier zit ook de oplossing van het Hof.

Die korte termijn van één jaar is geen gewone bevrijdende verjaring. Het is een kwijtende verjaring: de wet gaat ervan uit dat er betaald is en dat uw klant dus kwijting heeft gekregen, ook al kan hij dat niet bewijzen. Het arrest omschrijft ze als een vermoedelijke verjaring van betaling. Het idee erachter is historisch en eigenlijk heel begrijpelijk: het gaat om schulden die je in de praktijk niet op papier zette, en die de klant gewoonlijk meteen contant betaalde. Om te vermijden dat een oneerlijke verkoper zo’n schuld een tweede keer laat betalen, veronderstelt de wet na een jaar dat er betaald is. De klant moet dat niet bewijzen.

Bij een gewone bevrijdende verjaring wordt niet verondersteld dat er betaald is. Daar staat de termijn er enkel aan in de weg dat de schuldeiser de betaling nog via de rechter afdwingt. Dat lijkt op elkaar, maar het is juridisch iets anders.

Precies omdat er een vermoeden van betaling speelt, bouwde de wetgever er een tegengewicht in. Artikel 2275, eerste lid oud BW geeft de schuldeiser het recht om aan wie zich op die verjaring beroept, de eed op te dragen over de vraag of de zaak werkelijk betaald is. In gewone taal: u kunt uw klant laten zweren dat hij betaald heeft. Daarnaast speelt het vermoeden niet wanneer de schuldenaar erkent dat hij niet betaald heeft, of wanneer dat in een geschrift is vastgesteld (Cass. 18 juni 2020).

Het Hof vat de logica daarvan zo samen: de eenjarige verjaring wil de schuldenaar zonder kwijting beschermen tegen de kwade trouw van de schuldeiser, maar wil evenmin dat dat vermoeden in handen van een schuldenaar te kwader trouw een wapen wordt tegen een schuldeiser zonder titel.

Wat het Grondwettelijk Hof beslist

De vrederechter zag het volgende knelpunt. Als de consument niet komt opdagen, kan de schuldeiser hem de eed niet opdragen. Er is simpelweg niemand om te laten zweren. Zou de rechter in die situatie de eenjarige verjaring toch ambtshalve opwerpen, dan wordt de schuldeiser gestraft voor de afwezigheid van zijn tegenpartij.

Het Hof volgt die redenering en trekt er de consequentie uit:

Wanneer de consument bij verstek blijft in een zaak over een consumptieschuld die onderworpen is aan de eenjarige kwijtende verjaring, kan de rechter het middel van die verjaring niet op dienstige wijze ambtshalve opwerpen.

Bij een gewone bevrijdende verjaring ligt dat anders. Daar beschikt de schuldeiser sowieso niet over een gelijkwaardig recht om de eed op te dragen, en daar kan de rechter de verjaring wel ambtshalve toepassen, ook bij verstek.

Dat verschil in behandeling tussen beide groepen consumenten heeft volgens het Hof geen onevenredige gevolgen, om twee redenen. De rechter kan de gewone verjaring nog altijd ambtshalve opwerpen, en een consument die bij verstek veroordeeld wordt, kan verzet aantekenen tegen dat vonnis. Verschijnt de consument wel en roept hij de eenjarige verjaring zelf niet in, dan kan de rechter ze wel ambtshalve opwerpen en kan de schuldeiser hem vervolgens de eed opdragen.

Het besluit is kort: artikel 2223 oud BW schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Wat dit betekent als u facturen openstaan hebt bij particulieren

Vijf dingen om mee te nemen.

  1. Reken niet automatisch op tien jaar. Verkoopt u goederen aan particulieren, dan kan de termijn één jaar zijn. Een dossier dat een jaar blijft liggen omdat het klein is, is net het dossier waar dit speelt.
  2. De rechter wacht niet tot uw klant erover begint. Sinds 1 oktober 2024 controleert hij het zelf in elke vordering van een onderneming tegen een consument.
  3. Verstek van uw klant is geen vrijgeleide, maar ook geen doodvonnis. Blijft uw klant weg in een dossier met die eenjarige termijn, dan kan de rechter die verjaring niet zomaar tegen u gebruiken. Verschijnt hij wel, dan kan dat wel, en dan komt het op de eed aan.
  4. Een erkenning op papier is goud waard. Bekent de klant dat hij niet betaald heeft, of staat dat in een geschrift, dan speelt het vermoeden van betaling niet meer. Een afbetalingsplan dat de klant ondertekent, een mail waarin hij om uitstel vraagt: dat zijn stukken die u later nodig hebt.
  5. Houd de minnelijke fase ordentelijk. Bij consumenten gelden daarnaast de regels van boek XIX WER over schulden van de consument, met onder meer een eerste kosteloze herinnering en een wachttermijn voor u kosten aanrekent. Wie die stappen netjes doorloopt, bouwt meteen ook zijn dossier op.

De rode draad is niet nieuw, maar ze wordt wel scherper. Wachten kost geld, en bij particuliere klanten kost wachten soms ook gewoon de vordering zelf.

Vijf vragen om uzelf te stellen

  1. Wat is vandaag de oudste openstaande factuur op naam van een particuliere klant, en hoe lang staat die er al?
  2. Weet u van uw eigen verkopen aan particulieren of het om goederen gaat dan wel om diensten, en weet u welke verjaringstermijn daarbij hoort?
  3. Heeft u van die dossiers nog de rappels, de mails en eventuele afbetalingsafspraken, of enkel de factuur?
  4. Wie bewaakt bij u de termijnen, en op welk moment gaat een dossier automatisch naar invordering?
  5. Als u morgen dagvaardt en uw klant komt niet opdagen: kunt u met uw dossier aantonen dat er nooit betaald is?

De vierde vraag is meestal de nuttigste. Verjaring is zelden een juridisch probleem. Het is een opvolgingsprobleem dat op het einde juridisch wordt.

Grondwettelijk Hof 18 juni 2026, nr. 75/2026, rolnummer 8518, ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.075, op prejudiciële vraag van de vrederechter van het tweede kanton Charleroi. Het arrest betreft artikel 2223 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2024, gelezen in samenhang met de artikelen 2272 en 2275 van hetzelfde Wetboek.

Staan er bij u facturen open op naam van particuliere klanten, en wilt u weten welke daarvan dringend zijn? Invordering.be, het incassoteam van Interius Advocaten, bekijkt ze met u. Neem gerust contact op.

Dit stuk bevat algemene informatie over een gepubliceerde uitspraak en is geen juridisch advies over een concrete situatie.