Feitelijk bestuurder aansprakelijk voor het hele tekort

maandag september 7, 2026

Feitelijk bestuurder aansprakelijk voor het hele tekort

Hij werd nergens benoemd. Hij had wel de sleutel tot de bankrekening en betaalt het gelag.

Hij stond in geen enkele akte als zaakvoerder. Hij werd nooit benoemd, hij nam nooit ontslag. Hij had wel de onbeperkte bevoegdheid om over de banktegoeden van de vennootschap te beschikken. Twaalf jaar na het faillissement verwierp het Hof van Cassatie op 27 maart 2026 zijn laatste beroep. Hij betaalt het volledige tekort van 38.893,34 euro. De drie mensen die wél zaakvoerder waren, dragen daar samen 9.602,79 euro van, telkens samen met hem.

Wat er gebeurde

Een BVBA wordt opgericht op 28 december 2011, met een kapitaal van 18.600 euro dat slechts voor een derde wordt volstort. De betrokkene richt mee op en houdt 45 procent van de aandelen, maar de statuten wijzen twee anderen aan als zaakvoerder (wat vandaag bestuurder van een BV zou heten). Hijzelf is zaakvoerder van een andere vennootschap, waarvoor de nieuwe vennootschap als onderaannemer werkt.

Op 31 december 2012 stoppen die twee zaakvoerders. Een derde neemt hun aandelen en hun mandaat over.

De jaarrekeningen worden nooit neergelegd bij de Nationale Bank. Op 10 maart 2014 wordt de vennootschap failliet verklaard. De curator krijgt nooit enige boekhouding in handen. De enige bankrekening die hij aantreft, staat 235,60 euro in het rood. Het tekort aan actief bedraagt 38.893,34 euro.

Op 18 maart 2016 dagvaardt de curator. Hij vordert twee dingen: de volstorting van de niet-opgevraagde aandelen, en de aanzuivering van het passief. Op de eerste vordering wordt de betrokkene al bij het eerste vonnis van 13 juni 2016 veroordeeld. Er volgen vijf vonnissen, tussen 2016 en 2023. Het laatste veroordeelt de betrokkene tot het volledige tekort, en verdeelt dat zo:

  • 6.348,29 euro, samen met de twee eerste zaakvoerders, voor de schulden die in 2012 zijn ontstaan;
  • 3.254,50 euro, samen met de derde zaakvoerder, zijnde 10 procent van de schulden van 2013 (32.545,05 euro);
  • 29.290,55 euro alleen, zijnde de overige 90 procent van de schulden van 2013.

Het hof van beroep te Bergen bevestigt dat op 14 november 2024. Het Hof van Cassatie verwerpt de voorziening op 27 maart 2026 en veroordeelt hem tot de kosten, begroot op 1.495,26 euro, plus 650 euro rolrecht.

Hoe je bestuurder wordt zonder benoemd te zijn

De wet die hier gold, artikel 265, § 1 van het Wetboek van vennootschappen, viseert niet alleen de zaakvoerder en de gewezen zaakvoerder. Ze viseert ook, in de woorden van het Hof, iedere persoon die werkelijk de bevoegdheid heeft gehad om de vennootschap te besturen.

Het hof van beroep vond dat hier bewezen, en somde daarvoor de elementen op die het uit het dossier haalde. Het element dat het Hof van Cassatie in zijn arrest overneemt, is opvallend concreet: hij had de onbeperkte bevoegdheid om over de banktegoeden van de vennootschap te beschikken. Daaruit besloot het hof van beroep dat hij feitelijk bestuurder was gedurende de volledige levensduur van de vennootschap, en meester van de zaak van bij de oprichting tot bij het faillissement.

Hoe zo’n bewijs in de praktijk wordt opgebouwd, blijkt uit het verloop van de procedure. De rechtbank heropende in januari 2021 de debatten met vier gerichte vragen: wie beschikte over de handtekening op de bankrekening, wie deed de DIMONA-aangiften, wie verbond de vennootschap bij het sociaal secretariaat, en wie onderschreef de verzekeringen, waaronder die tegen arbeidsongevallen. En dat telkens zowel vóór als na de aandelenoverdracht van eind 2012.

Geen mandaat, geen publicatie, geen handtekening onder een benoemingsbesluit. Wel een bankvolmacht zonder grens, en de feitelijke greep op de zaak. Dat volstond.

De fout: er was geen boekhouding

De kennelijk grove fout die tot het faillissement heeft bijgedragen, is bij hem noch een frauduleuze verrichting noch een risicovolle investering. Het is een leemte. Er werd geen boekhouding gevoerd en er werd geen enkele jaarrekening neergelegd. Waarom dat zwaar weegt, motiveert het hof van beroep in drie stappen, die het Hof van Cassatie in zijn arrest weergeeft.

  1. Met cijfers hadden de opeenvolgende bestuurders de toestand van de vennootschap correct kunnen inschatten en de nodige beheersmaatregelen kunnen nemen, en desnoods een standpunt kunnen innemen over de voortzetting van de activiteit.
  2. Het ontbreken van een boekhouding kan leiden tot ambtshalve aanslagen, en dus tot een zwaarder passief.
  3. Het niet neerleggen van de jaarrekening ontneemt derden een onmisbare informatiebron over de financiële toestand van de vennootschap. Wie dat had geweten, had misschien niet met haar gecontracteerd.

Daarnaast houdt het hof van beroep hen nog iets anders voor: alle bestuurders zijn medeverantwoordelijk voor het voortzetten van een activiteit waarvan zij niet konden negeren dat ze verlieslatend was. Dat is een zelfstandig verwijt, los van de boekhouding. Het komt verderop nog terug.

Er is nog een gevolg dat in de procedure zichtbaar werd. Artikel 265 W.Venn. sloot de vordering tot aanzuivering van het passief uit voor kleine vennootschappen, met als criteria een gemiddelde omzet van minder dan 620.000 euro exclusief btw over de drie boekjaren vóór het faillissement en een balanstotaal bij het einde van het laatste boekjaar van niet meer dan 370.000 euro. Het cassatieverzoekschrift zelf spreekt van een vennootschap met een beperkt zakencijfer. Maar zonder enige boekhouding kon de rechtbank niet nagaan of de betrokkenen zich op die uitzondering konden beroepen, en dus ging zij niet op. De ontbrekende boekhouding kostte hem niet alleen de fout, ze kostte hem ook zijn ontsnappingsroute.

De curator wees er daarnaast op dat zonder regelmatige boekhouding de alarmbelprocedure niet kon werken, in dit geval die van artikel 332 W.Venn. Wie niet weet dat zijn netto-actief onder de helft van het kapitaal is gezakt, roept de algemene vergadering nooit bijeen. Ook hier geldt dat de bepaling intussen is vervangen: voor de BV werkt de alarmbelprocedure vandaag niet meer met de helft van het kapitaal, maar met een netto-actief dat negatief is of dreigt te worden, aangevuld met een liquiditeitstoets (art. 5:153 WVV).

Het verweer: “de boekhouder deed dat, en ik was passief”

Twee argumenten, allebei herkenbaar.

Het eerste: ik ging niet over de boekhouding, de zaakvoerders hadden daar een boekhouder voor aangesteld. Het antwoord van het hof van beroep is streng en algemeen geformuleerd.

Alle bestuurders van de vennootschap zijn medeverantwoordelijk voor het voeren van de jaarrekening en voor de neerlegging ervan, en voor de eventuele tekortkomingen van de boekhouder op dat vlak, voor zover niet wordt bewezen dat dat aspect van het bestuur uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van een van hen viel.

Een boekhouder aanstellen is dus geen overdracht van verantwoordelijkheid. Het is een taakverdeling die u moet kunnen bewijzen als u zich erachter wil verschuilen.

Het tweede argument was subsidiair: als ik dan toch aansprakelijk ben, beperk mijn veroordeling tot 5 procent van het tekort, want mijn rol was in wezen passief en het ontbreken van een boekhouding kan onmogelijk het volledige passief hebben veroorzaakt. Het hof van beroep verwierp die vraag omdat er geen enkel middel ter ondersteuning werd aangevoerd. Dat verwijt vormde de kern van de voorziening in cassatie.

Wat het Hof van Cassatie beslist, en wat het niet beslist

Dit is het deel dat u het best onthoudt, want het is smaller dan de uitkomst doet vermoeden.

Uit de tekst van artikel 265, § 1 volgt al dat de rechter speelruimte heeft: zijn de voorwaarden vervuld, dan kan hij per betrokken persoon bepalen of die tot het geheel dan wel tot een deel van het tekort wordt veroordeeld, en of er hoofdelijkheid speelt. Het hof van beroep had geoordeeld dat de rol van deze man bij het ontstaan van het faillissement doorslaggevend was in vergelijking met die van de andere bestuurders, en had daar de gevolgen aan verbonden voor de omvang van ieders veroordeling. Dat, zegt het Hof, is een juiste toepassing van artikel 265, § 1.

Wat het Hof daar niet bij zegt, is minstens even belangrijk. Het hof van beroep had zijn beslissing mede gesteund op de leer van de gelijkwaardigheid van de voorwaarden, en had geoordeeld dat een oorzakelijk verband naar gemeen recht tussen de fout en het tekort aan actief niet vereist is en dat de bestuurder vermoed wordt verantwoordelijk te zijn voor het volledige tekort. Precies daar richtte het middel zich op. Het Hof van Cassatie beslecht dat punt niet. Het stelt vast dat de beslissing al gedragen wordt door de beoordeling van de concrete omstandigheden, en noemt de bekritiseerde overwegingen overtollig.

Er lag nog een tweede grief voor, over het verwijt dat de bestuurders een activiteit hadden voortgezet waarvan zij niet konden negeren dat ze verlieslatend was. Volgens eiser had de curator hem dat nooit in die bewoordingen verweten, en had het hof van beroep de debatten moeten heropenen om hem daarop te laten antwoorden. Ook die grief wordt verworpen: het arrest stelt op grond van de elementen die in het debat lagen enkel vast dat de activiteit kennelijk verlieslatend was, en miskent zo de rechten van verdediging niet. Een feitenrechter mag dus uit de neergelegde stukken een vaststelling afleiden die geen van de partijen in die bewoordingen had geformuleerd.

Voor de praktijk betekent dat het volgende. Wie zich verweert tegen een vordering tot aanzuivering van het passief, wint niets met de summiere vaststelling dat zijn fout maar een deel van het tekort verklaart. Hij moet de feitenrechter overtuigen over zijn eigen rol, en dat vraagt onderbouwing: cijfers, stukken, een alternatieve verdeling. Deze man vroeg in beroep om zijn veroordeling tot 5 procent te beperken. Hij verwees daarvoor naar zijn passieve rol en naar de vaststelling dat de ontbrekende boekhouding onmogelijk het hele passief kon veroorzaken. Het hof van beroep oordeelde dat hij geen enkel middel aanvoerde ter ondersteuning van die vraag. Voor het Hof van Cassatie klaagde hij precies dat aan, maar het Hof komt er niet aan toe: het stelt vast dat het arrest zijn beslissing al naar recht verantwoordt op grond van de overwegingen die tevergeefs werden bekritiseerd, zodat de aangevoerde schending, ook al zou ze vaststaan, zonder invloed blijft.

Wat het kostte

  • 38.893,34 euro, het volledige tekort aan actief, waarvan 29.290,55 euro alleen te dragen.
  • 1.495,26 euro kosten in cassatie, en 650 euro rolrecht.
  • Twaalf jaar procedure, van het faillissement van 10 maart 2014 tot het arrest van 27 maart 2026.

De twee eerste zaakvoerders staan in voor 6.348,29 euro, de derde voor 3.254,50 euro. Zij werden benoemd als zaakvoerder, hij niet, en hij betaalt alles.

De bepaling die u best kent

Artikel 265 W.Venn. is opgeheven door de wet van 11 augustus 2017. De aansprakelijkheid voor een kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement staat vandaag in artikel XX.225 WER, in dezelfde lijn: naast de bestuurders viseert ook die bepaling wie werkelijke bestuursbevoegdheid heeft gehad, en ook daar geldt een uitzondering voor kleine ondernemingen. Artikel XX.225, § 2 WER neemt die uitzondering over met dezelfde criteria: een gemiddelde omzet van minder dan 620.000 euro exclusief btw over de drie boekjaren vóór het faillissement (of, indien de onderneming sedert minder dan drie jaar is opgericht, alle boekjaren vóór het faillissement) en een balanstotaal bij het einde van het laatste boekjaar van niet meer dan 370.000 euro. Eén verschil is het vermelden waard: onder het W.Venn. bestond die uitzondering voor de BVBA en de CVBA, maar niet voor de NV. Vandaag geldt zij voor alle ondernemingen. Dit arrest past nog de oude versie toe.

Wat over de wetgevingen heen gelijk blijft, is de logica. Aansprakelijkheid volgt de feitelijke macht, niet het register. Het bewijs van die macht wordt geleverd met alledaagse dingen, zoals de vier vragen die de rechtbank hier stelde: wie tekende op de rekening, wie deed de aangiften, wie verbond de vennootschap, wie sloot de verzekeringen. En het gebrek aan boekhouding is nooit alleen een administratieve nalatigheid, omdat het meteen ook elke verdediging onmogelijk maakt.

Vijf vragen om uzelf te stellen

  1. Wie heeft er vandaag volmacht op de rekeningen van uw vennootschap, en staat die persoon ook in de statuten?
  2. Als u nergens als bestuurder vermeld staat maar wel meebeslist: welk spoor laat u na dat aantoont waar de beslissingen echt werden genomen?
  3. Zijn de jaarrekeningen van de voorbije boekjaren allemaal tijdig neergelegd, en kunt u dat controleren zonder het aan iemand anders te vragen?
  4. Als de boekhouding is uitbesteed, ligt er dan een schriftelijke taakverdeling die aantoont bij wie welke verplichting ligt?
  5. Als de curator morgen uw dossier opvraagt en er is geen boekhouding: waarmee toont u dan aan dat uw rol beperkt was?

De vijfde vraag is de vervelendste. Wie zijn rol wil relativeren, heeft daar stukken voor nodig. En stukken maakt u vooraf.

Cass. 27 maart 2026, nr. C.25.0243.F, verwerpt de voorziening tegen Bergen 14 november 2024 (14e kamer, RG 2023/RG/355). De zaak werd beoordeeld op grond van artikel 265, § 1 W.Venn., zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door de wet van 11 augustus 2017.

Zit u in een vennootschap waar u meebeslist zonder bestuurder te zijn, of waar de jaarrekeningen achterlopen? Neem gerust contact op.

Dit stuk bevat algemene informatie over een gepubliceerde uitspraak en is geen juridisch advies over een concrete situatie.